Plenair Baumgarten bij behandeling Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis



Verslag van de vergadering van 8 september 2026 (2025/2026 nr. 40)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 16.54 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Baumgarten i (JA21):

Voorzitter. Soms behandelt het parlement een wetsvoorstel waarvan de regering graag zou zien dat wij het aannemen. En soms behandelt het parlement een wetsvoorstel waarvan de regering kennelijk alvast heeft besloten dat wij het zullen aannemen. Het wetsvoorstel dat nu voorligt, behoort helaas tot die tweede categorie.

De reden kennen we. De SVB kreeg al begin 2025 opdracht om met de implementatie te beginnen. Toen vervolgens bleek dat de parlementaire behandeling niet voor 1 januari 2026 zou zijn afgerond, was de uitvoering al zo vergevorderd dat er volgens de regering feitelijk geen pauzeknop meer was. De oplossing werd vervolgens gezocht in terugwerkende kracht.

De regering heeft inmiddels zelf erkend dat deze gang van zaken niet wenselijk is, maar daarmee is voor mijn fractie de principiële kwestie niet opgelost. Voorbereiden op mogelijke wetgeving is één ding. De uitvoering zo ver laten voortschrijden dat het parlement bij verwerping met grote uitvoeringsproblemen wordt geconfronteerd: dat is iets anders. Het huidige kabinet heeft deze situatie geërfd, maar het is wel dit kabinet dat vandaag aan deze Kamer vraagt om de benodigde wetgeving te verschaffen. Dat schuurt met de woorden waarmee de regering begon. In zijn regeringsverklaring maakte minister-president Jetten van samenwerking het leidende principe van zijn kabinet. Hij sprak over samenwerking in de politiek, zei dat democratie meer moet zijn dan de helft plus één en beloofde nadrukkelijk het gesprek te zoeken met zowel de Tweede als de Eerste Kamer. Dat zijn mooie woorden, maar samenwerken met het parlement veronderstelt dat het parlement ook werkelijk de ruimte heeft om zijn eigen afwegingen te maken. Een Eerste Kamer die formeel nog nee kan zeggen, maar daarbij weet dat de uitvoering al maanden loopt en dat het terugdraaien daarvan volgens de uitvoerder zeker een jaar kost, wordt niet alleen niet serieus genomen, maar eigenlijk ook voor het blok gezet.

Voorzitter. Het argument dat er op enig moment eenvoudigweg geen pauzeknop meer was, overtuigt mijn fractie allerminst. Kijk naar de behandeling van box 3. Ook daar zijn jarenlang voorbereidingen getroffen, moesten omvangrijke ICT-systemen worden aangepast en was de Belastingdienst gebonden aan strakke uitvoeringstermijnen. De laatste vorm van het box 3-stelsel is inmiddels in de senaat geparkeerd.

Daarom heb ik de volgende vragen aan de minister. Erkent de minister dat door de gekozen handelswijze de materiële vrijheid van deze Kamer om het wetsvoorstel te verwerpen feitelijk is verkleind? Past het volgens hem bij de door het kabinet-Jetten beloofde samenwerking met het parlement wanneer de uitvoering van wetgeving zo ver op de parlementaire besluitvorming vooruitloopt dat verwerping nauwelijks nog zonder grote uitvoeringsproblemen mogelijk is? Erkent de minister bovendien dat deze handelswijze een ongewenst precedent kan scheppen?

Voorzitter. Dan de aanleiding voor deze wet. Daar wil mijn fractie wat langer bij stilstaan, omdat zich hier een ontwikkeling voordoet waar wij principieel grote moeite mee hebben. De Centrale Raad van Beroep oordeelde in 2023 dat pgb-zorgverleners die onder de Regeling dienstverlening aan huis vallen, niet van een verplichte WW-verzekering mochten worden uitgesloten wegens verboden indirect onderscheid naar geslacht. De juridische redenering was dat de uitzondering in de praktijk voornamelijk vrouwen trof en daarmee indirect onderscheid opleverde.

Laten we helder zijn: respect voor de rechtsstaat betekent niet dat het parlement iedere gerechtelijke uitspraak vanzelfsprekend moet toejuichen. Het betekent al helemaal niet dat de medewetgever daar geen kritiek op mag leveren. De wetgever heeft namelijk in het verleden bewust gekozen voor een bijzondere regeling voor dienstverlening aan huis. Aan die regeling lag een politieke afweging ten grondslag. Tegenover volledige werknemersbescherming stonden de bijzondere aard van persoonlijke dienstverlening, de lasten voor particuliere werkgevers, lees zorgbehoeftigen, en het belang van een toegankelijke en flexibele arbeidsrelatie. Dat is bij uitstek een afweging van belangen en dus bij uitstek een politieke afweging.

Via het Europese gelijkebehandelingsrecht wordt een politieke belangenafweging, die de wetgever eerder dus bewust heeft gemaakt, juridisch begrensd. Formeel past de rechter daarbij geldend recht toe, maar staatsrechtelijk blijft de uitkomst bijzonder ongemakkelijk. Een belangenafweging van werknemersbescherming, betaalbaarheid, flexibiliteit en de positie van particuliere werkgevers wordt hiermee uiteindelijk niet door de wetgever, maar door de rechter beslecht. Mijn fractie vindt die voortschrijdende juridisering van politieke afwegingen onwenselijk. Niet iedere ongelijke maatschappelijke uitkomst hoort via het gelijkebehandelingsrecht te worden omgezet in een door de rechter afdwingbare herinrichting van beleid. Bovendien trekt de regering de juridische redenering van de Centrale Raad breder door. Uit een uitspraak over de WW volgen uiteindelijk wijzigingen die ook andere werknemersverzekeringen en arbeidsrechtelijke verplichtingen raken.

Mijn vervolgvraag aan de minister is dan ook: deelt de minister de principiële zorg van mijn fractie dat via het leerstuk van indirect onderscheid politieke belangenafwegingen steeds verder kunnen verschuiven van de democratische wetgever naar de rechter? Waar ligt volgens de minister de grens tussen het toepassen van het gelijkebehandelingsrecht en het feitelijk bepalen hoe de wetgever verschillende maatschappelijke belangen tegen elkaar moet afwegen?

Voorzitter. Daarmee komen we bij het principiële probleem dat mijn fractie met deze wet heeft. Een ondernemer neemt mensen in dienst omdat hij arbeid nodig heeft om zijn onderneming te laten draaien. Een pgb-houder sluit een arbeidsovereenkomst omdat hij of zij hulp nodig heeft om het dagelijks leven te kunnen leiden zonder gebruik te hoeven maken van dure intramurale zorg, die overigens forse capaciteitsproblemen kent. Dat kan huishoudelijke ondersteuning zijn, maar ook zeer persoonlijke lichamelijke zorg. Dat verschil doet ertoe. Volgens de meest recente cijfers worden 10.127 budgethouders en 16.287 arbeidsovereenkomsten rechtstreeks geraakt door deze wetswijziging. Deze mensen zijn niet werkgever geworden omdat zij personeel wilden aansturen. Ze zijn werkgever geworden omdat ze afhankelijk zijn van zorg en de hulp van anderen. Toch worden meer verantwoordelijkheden die horen bij regulier werkgeverschap bij cliënten neergelegd. Daar dreigt iets wat mijn fractie in de schriftelijke behandeling nog onvoldoende beantwoord ziet.

We kunnen op papier eindeloos redeneren vanuit arbeidsrechtelijke categorieën, maar uiteindelijk zit aan de andere kant van die arbeidsovereenkomst een individu dat gewoon zorg probeert te regelen zoals het pgb bedoeld was, namelijk aan huis, volgens de wensen van de cliënt en vanuit eigen regie, juist om de druk om de druk op intramurale duurdere zorg te beperken. Daar zetten we nu dus een steeds omvangrijker administratief bouwwerk omheen: werkgeverslasten, loodadministratie, premieafdracht, ziekte- en re-integratieverplichtingen, verlofrechten, wijzigingen van arbeidsovereenkomsten en op termijn mogelijk verdere arbeidsrechtelijke verplichtingen. De SVB kan daarbij ondersteunen en een deel van de administratie uitvoeren, maar dat neemt niet weg dat de budgethouder juridisch werkgever blijft en dat het organiseren van persoonlijke zorg steeds verder wordt omgeven door regels die zijn ontwikkeld voor reguliere arbeidsverhoudingen.

Voor mijn fractie is het niet alleen relevant te weten of een budgethouder deze papierwinkel technisch aankan. De vraag is ook wat die papierwinkel met het gedrag van de budgethouder doet. Regels hebben namelijk gedragseffecten. Als iemand weet dat het inhuren van een zorgverlener betekent dat hij of zij een steeds uitgebreider pakket aan werkgeversverantwoordelijkheden op zich neemt, kan hij of zij besluiten daar helemaal niet aan te beginnen. Zeker voor ouderen, mensen met een beperking of mensen die al hun handen vol hebben aan het organiseren van hun leven en zorg, kan het vooruitzicht van formeel werkgeverschap voldoende zijn om af te haken. Dan maken we budgethouders kopschuw en ik sluit niet uit dat menig zorgverlener er hetzelfde in zit. Dan bereikt deze wet mogelijk precies het tegenovergestelde van wat die beoogt. Op papier hebben we dan de positie van de zorgverlener verbeterd, maar in de praktijk wordt de budgethouder terughoudender om zo'n zorgverlener überhaupt in dienst te nemen.

De regering wijst op ondersteuning door de SVB. Dat is nuttig, maar mist volgens mijn fractie een deel van het probleem. De vraag is niet alleen of iemand met voldoende hulp door een administratieve hindernisbaan heen kan komen, maar ook waarom wij die hindernisbaan rond individuele persoonlijke zorg überhaupt zo uitgebreid maken. Mijn vervolgvraag aan de minister is dan ook hoe groot hij het risico acht dat budgethouders door de opeenstapeling van werkgeversverplichtingen terughoudender worden om zelf zorgverleners in dienst te nemen. En welk niveau van administratieve en juridische belasting acht de regering eigenlijk nog verenigbaar met het oorspronkelijke uitgangspunt van eigen regie binnen het pgb?

Voorzitter. Dan resteert een fundamenteler punt. Een pgb is niet uitsluitend een financieringsinstrument. Eigen regie is een wezenlijk onderdeel van het stelsel om met elkaar de zorg betaalbaar en toegankelijk te houden. Bij persoonlijke verzorging kan het gaan om hulp bij wassen, aankleden, toiletgang en andere handelingen waarbij een zorgverlener letterlijk het meest persoonlijke domein van iemand binnenkomt. Wie die zorg verleent, is geen detail. Daarom is een arbeidsrelatie in de pgb-zorg niet zonder meer vergelijkbaar met een gewone arbeidsrelatie. Wanneer het vertrouwen tussen werkgever en werknemer op kantoor verdwijnt, is dat vervelend, maar wanneer het vertrouwen verdwijnt in iemand die helpt bij douchen of toiletgang, raakt dat rechtstreeks aan de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke autonomie van de zorgbehoevende. Juist op dit punt is de wet tijdens de behandeling al aangepast. De preventieve ontslagtoets treedt vooralsnog niet in werking. Dat laat ook zien dat de medewetgever de spanning tussen regulier arbeidsrecht en deze bijzondere zorgrelatie heeft onderkend. Een vervolgvraag aan de minister: waar ligt voor de minister uiteindelijk de grens wanneer arbeidsrechtelijke bescherming van de zorgverlener botst met de eigen regie, persoonlijke levenssfeer en lichamelijke autonomie van de zorgontvanger? Welk belang behoort in zo'n situatie volgens de regering uiteindelijk voorrang te krijgen?

Voorzitter. Een rechterlijke uitspraak doorkruist de politieke belangenafweging. De regering trekt die uitspraak vervolgens breder. De uitvoering begint voordat het parlement heeft ingestemd en terugdraaien is volgens de SVB bijzonder ingrijpend. De budgethouder krijgt meer werkgeversverantwoordelijkheden en nog voordat het geheel parlementair is afgerond, onderzoekt diezelfde regering alweer hoe het regime kan worden vereenvoudigd en verlicht.

Een pgb-houder is in de eerste plaats iemand die zorg nodig heeft en die de vrijheid heeft gekregen om die zorg zo veel mogelijk zelf te organiseren. De pgb-houder huurt zorgverleners in omdat hij of zij zorg nodig heeft. Het is doorgaans geen vrije keuze, maar bittere noodzaak. Hij of zij is geen ondernemer, heeft geen hr-afdeling en is al helemaal geen uitvoeringsloket van de verzorgingsstaat. Misschien moeten we niet nog een regeling boven op de regeling bouwen. Misschien moeten we ons afvragen of we onderweg het uitgangspunt, de bedoeling, uit het oog verloren zijn. Mijn fractie wacht de beantwoording van de minister met belangstelling af.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Bezaan. Zij spreekt namens de fractie van de PVV.