Verslag van de vergadering van 8 september 2026 (2025/2026 nr. 40)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 17.06 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Mevrouw Bezaan i (PVV):
Voorzitter, dank voor het woord. Normaal gesproken beoordeelt deze Kamer een wetsvoorstel voordat het onderdeel wordt van het geldende wettelijke regime. Dat is bij uitstek onze taak als chambre de réflexion. Bij dit wetsvoorstel lijkt die volgorde te zijn omgedraaid. Sinds 1 januari zijn belangrijke gevolgen van het beoogde regime al in de uitvoering verwerkt en zijn de systemen daarop ingericht, terwijl de wettelijke regels daarvoor, deels met terugwerkende kracht, vandaag nog in deze Kamer liggen. Dat is vandaag door meerdere partijen genoemd.
Ruim acht maanden later bespreken we hier in dit huis of wij met deze wettelijke regeling willen instemmen. De minister heeft deze situatie zelf "zeer ongemakkelijk" en deze gang van zaken "niet wenselijk" genoemd. Dat is wat mijn fractie betreft een understatement vanjewelste. De Tweede Kamer heeft uitgesproken dat ze hierdoor praktisch voor een voldongen feit is gesteld en nu wordt ook deze Kamer gevraagd om zich hierover uit te spreken, terwijl belangrijke uitvoeringsaanpassingen al maanden geleden in gang zijn gezet. Ik kom daar later nog op terug.
Voorzitter. Ik kom eerst bij de kern van dit wetsvoorstel. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat een pgb-zorgverlener die onder de Regeling dienstverlening aan huis viel, niet mocht worden uitgesloten van de verplichte werknemersverzekeringen. De regering heeft vervolgens geconcludeerd dat de juridische argumentatie van die uitspraak ook relevant is voor andere uitzonderingen binnen de Regeling dienstverlening aan huis. Ook de PVV-fractie in de Tweede Kamer heeft duidelijk uitgesproken dat zij het belangrijk vindt dat deze zorgverleners toegang krijgen tot de werknemersverzekeringen. Daar zit voor mijn fractie niet het probleem. Onze vraag gaat over de reikwijdte van de oplossing die het kabinet vervolgens heeft gekozen. Ook de Tweede Kamer heeft op onderdelen grenzen gesteld aan die reikwijdte. Zo is met het aangenomen amendement-Bühler de inwerkingtreding van een aantal aanvullende werkgeversverplichtingen opgeschort.
Tijdens de schriftelijke behandeling heeft mijn fractie gevraagd welke minder ingrijpende alternatieven juridisch zijn getoetst en wat minimaal noodzakelijk is om aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep te voldoen. De regering heeft toegelicht waarom zij onder meer een opt-insysteem en een gefaseerde invoering niet houdbaar acht, maar het blijft onvoldoende concreet welke minder ingrijpende varianten afzonderlijk juridisch zijn getoetst. Kan de minister daarom precies aangeven welke alternatieven juridisch zijn getoetst en door wie, en waar deze Kamer die beoordeling kan terugvinden? En kan hij onderscheiden welk deel van deze wetswijziging volgens het kabinet rechtstreeks juridisch noodzakelijk is en welk deel voortvloeit uit bredere juridische en beleidsmatige keuzes?
Voorzitter. Die keuzes hebben gevolgen. Budgethouders met een arbeidsovereenkomst waren juridisch al werkgever, maar krijgen te maken met uitgebreidere werkgeversverplichtingen. Zo gaat de loondoorbetalingsplicht bij ziekte van 6 naar maximaal 104 weken en gelden er re-integratieverplichtingen. Bij ziekte wordt het budget weliswaar aangevuld en neemt de SVB veel praktische werkzaamheden uit handen, maar de budgethouder blijft werkgever. Over wie hebben we het? Over mensen die zelf zorg of ondersteuning nodig hebben, ouderen, mensen met een beperking en chronisch zieken. Het kabinet heeft zelf erkend dat een budgethouder geen doorsnee werkgever is met een eigen hr-afdeling. Waarom acht het kabinet het proportioneel om deze zorgafhankelijke particulieren met deze uitgebreidere werkgeversverantwoordelijkheden te belasten?
Voorzitter. Dan de financiële gevolgen. De regering rekent met gemiddeld ongeveer 20% hogere werkgeverslasten. Vanaf 2026 is structureel 17,2 miljoen vrijgemaakt, waarvan 10,8 miljoen voor de Wlz, 1,8 miljoen via het gemeentefonds en 4,6 miljoen voor de uitvoering door de SVB. De regering gaat ervan uit dat de extra werkgeverslasten met de beschikbare compensatie kunnen worden opgevangen, maar voor mijn fractie is niet de verwachting op papier doorslaggevend maar wat er in de praktijk gebeurt. Mijn partijgenoot Mulder vroeg op 19 januari of gegarandeerd kon worden dat geen enkele budgethouder erop achteruit zou gaan. Die garantie kwam er niet. Maar toen hij vroeg of de staatssecretaris de inschatting aandurfde dat ruim boven de 90% niet achteruit zou gaan, antwoordde zij: ja, die inschatting durf ik wel aan.
Voorzitter. Ik vraag vandaag niet om een nieuwe inschatting, maar om de uitkomst. We zijn bijna acht maanden verder. Wat laten de cijfers nu zien? Kan de minister aangeven welk percentage van de getroffen budgethouders sinds 1 januari voldoende zorg heeft kunnen blijven inkopen en of de inschatting van ruim boven de 90% is uitgekomen? Als die cijfers er niet zijn, hoe kan het kabinet dan beoordelen of de compensatie daadwerkelijk voldoende is?
Voorzitter. Ook bij die compensatie blijven twee problemen bestaan. Ten eerste de gemeente. De regering erkent dat meerdere gemeenten geen compensatie bieden, terwijl daarvoor middelen via het gemeentefonds beschikbaar zijn gesteld. Een aantal gemeenten is na gesprekken met de VNG alsnog gaan compenseren en gemeenten die dat nog niet doen, worden volgens de regering actief benaderd. Maar hoeveel gemeenten compenseren op dit moment nog niet? Hoeveel budgethouders worden daardoor geraakt? Wat doet de minister concreet wanneer een budgethouder daardoor onvoldoende zorg kan inkopen? Ten tweede zijn de hogere werkgeverslasten structureel. De Tweede Kamer heeft de compensatieregeling met amendementen verbeterd, onder meer door een evaluatie binnen twee jaar en een mogelijkheid tot voortzetting van de Zvw-compensatie te regelen. Maar evalueren is nog niet hetzelfde als bepalen wanneer moet worden ingegrepen. Mijn fractie vroeg schriftelijk of er een drempelwaarde bestaat waarop het kabinet ingrijpt als de zorgcontinuïteit onder druk komt te staan. Het antwoord was nee. Op basis van welke concrete criteria besluit het kabinet straks dan wel dat aanvullende maatregelen nodig zijn? Wie is uiteindelijk verantwoordelijk wanneer een budgethouder zijn geïndiceerde zorg door deze hogere lasten niet meer kan inkopen?
Voorzitter. Dan terug naar het begin. Uit de stukken blijkt — ook dat is vandaag al eerder genoemd — dat de regering al voor 1 januari rekening hield met de mogelijkheid dat de parlementaire behandeling op dat moment nog niet zou zijn afgerond. Desondanks werd beoogd het wetsvoorstel met terugwerkende kracht per 1 januari 2026 in werking te laten treden. Er is dus een uitvoeringspad gekozen waarbij al substantiële uitvoeringsaanpassingen werden doorgevoerd terwijl de relevante wetswijziging nog door het parlement moest worden beoordeeld. Juist dat raakt aan de positie van het parlement. Formeel — ook dat is al eerder gezegd — kan deze Kamer nog steeds nee zeggen, maar wat betekent dat nee materieel nog wanneer systemen en uitvoeringsprocessen al maanden op het nieuwe regime zijn ingericht, en wanneer terugdraaien volgens de uitvoering grote problemen veroorzaakt. De Tweede Kamer heeft datzelfde probleem expliciet benoemd met de motie-Wendel/Neijenhuis over het voorkómen van onomkeerbare uitvoeringsaanpassingen. De Tweede Kamer spreekt daarin uit dat zij praktisch voor een voldongen feit is gesteld en zij heeft de regering verzocht herhaling te voorkomen.
Voorzitter. De uitspraak van de Centrale Raad moet vanzelfsprekend worden gerespecteerd en de geconstateerde strijd met het Europees recht moet worden beëindigd. Ook moeten uitvoeringsorganisaties zich kunnen voorbereiden op mogelijke nieuwe wetgeving. Maar voorbereiding is iets anders dan het treffen van onomkeerbare uitvoeringsmaatregelen die mede vooruitlopen op wettelijke verplichtingen waardoor de instemming van de medewetgever nog noodzakelijk is en die daardoor de parlementaire keuze materieel beperken.
Dáár ligt voor mijn fractie de principiële grens. Anders verandert de volgorde van eerst besluiten en dan uitvoeren in eerst uitvoeren en daarna het parlement om instemming vragen. Mijn fractie wil daarom van de minister weten welk concreet uitgangspunt hij voortaan hanteert om te voorkomen dat onomkeerbare uitvoeringsstappen de vrije oordeelsvorming van beide Kamers als medewetgever feitelijk beperken. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden toch noodzaken tot onomkeerbare uitvoeringsstappen vóór afronding van de parlementaire behandeling, wil mijn fractie dat beide Kamers daarover vooraf expliciet worden geïnformeerd. Afhankelijk van het antwoord van de minister overweegt mijn fractie een motie op dit punt.
Voorzitter. Pgb-zorgverleners verdienen een fatsoenlijke sociale bescherming. Daarover bestaat voor mijn fractie geen discussie, maar daar hoort ook de bescherming van de zorgafhankelijke budgethouder bij.
Mevrouw Bakker-Klein i (CDA):
Ik heb behoefte aan wat verduidelijking over wat u net zei over welke uitgangspunten de minister hanteert. Want ik mag toch aannemen dat het legaliteitsbeginsel, het uitgangspunt dat gewoon in de Grondwet is vastgelegd, door de minister gehanteerd wordt. Dat is toch niet iets wat we zouden moeten vragen? Kunt u zeggen wat u precies bedoelt met die vraag?
Mevrouw Bezaan (PVV):
Ja, nou ja, het hele proces van deze wet verdient sowieso niet de schoonheidsprijs, lijkt mij. Misschien wil ik gewoon een bevestigend antwoord op de vraag die u net stelt.
Mevrouw Bakker-Klein (CDA):
Dat in het vervolg de minister de wet als uitgangspunt blijft hanteren, bedoelt u?
Mevrouw Bezaan (PVV):
Ja.
Mevrouw Bakker-Klein (CDA):
Oké, dank u wel.
Mevrouw Bezaan (PVV):
Daarom willen wij vandaag graag duidelijkheid over drie zaken. Is de gekozen reikwijdte juridisch noodzakelijk én proportioneel? Kan het kabinet aantonen dat budgethouders hun noodzakelijke zorg kunnen blijven inkopen? En wanneer grijpt het in als dat niet lukt? Welk concreet uitgangspunt hanteert het kabinet om te voorkomen dat beide Kamers door onomkeerbare uitvoeringsstappen opnieuw voor een voldongen feit worden gesteld? Dat zijn voor mijn fractie de wezenlijke vragen bij dit wetsvoorstel.
Voorzitter, ik dank u voor uw tijd.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Petersen. Hij spreekt namens de fractie van de VVD.